Havo Duits

1 HAVO

Der, die of das

Persoonlijke voornaamwoorden

Präsens

Sein en haben

Regelmatige werkwoorden

Naamvallen

Voorzetsels

Zinnen maken

Ontkenning

Bijvoeglijke naamwoorden

2 HAVO

Präsens

Perfekt

Präteritum

Modalverben

Naamvallen

Akkusativ en Dativ

Voorzetsels

Bijvoeglijke naamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden

Zinsbouw

3 HAVO

Präsens

Perfekt

Präteritum

Plusquamperfekt

Futur

Modalverben

Voorzetsels

Relativzinnen

Bijvoeglijke naamwoorden

Zinsbouw

4 HAVO

Leesvaardigheid

Präsens

Perfekt

Präteritum

Futur

Modalverben

Naamvallen

Voorzetsels

Relativzinnen

Adverbiale bijzinnen

5 HAVO

Leesvaardigheid

Tekstbegrip

Woordenschat in context

Zinsbouw

Voorzetsels

Naamvallen

Relativzinnen

Adverbiale bijzinnen

Modalverben

Ontkenning